Honderd vijftig jaar geleden was het Ds. John Wilson, die in zijn boek de opmerking maakte over onze Israëlitische oorsprong. Hij schrijft daarin, dat het Hebreeuwse woord "chof", dat haven betekent, hetzelfde klinkt als het Nederlandse woord "hof" met dezelfde betekenis. Hoewel "chof" en "hof" niet hetzelfde klinken, was hij toch dichter bij de waarheid dan het schijnt. In dialecten van Zeeland en Vlaanderen zijn de 'g' en 'ch' immers verwisseld met de 'h'. Dit nu kan ook gebeuren in het Hebreeuws en Gaelic. Een Zeeuwse boer kan je "op 't chof" noden. Hij spreekt dan letterlijk het woord, dat in de zegen aan Zebulun wordt gebruikt!
Dit woord "chof" in het Hebreeuws betekent omheining en dit drukt precies uit wat ons woord
"hof" oorspronkelijk betekent: een open vierhoekig stuk land, omsloten door palen, bomen, een haag of huizen.
Dit oud-Nederlandse woord, dat in het Gothisch voorkwam, doch in modern Engels is uitgestorven, leeft bij ons voort in velerlei betekenissen en is een van de oudste woorden, die in onze taal
bestaan. Het letterlijke woord, dat aan Zebulun zegen zou verspreiden, heeft zo' n grote
rol in onze taalgeschiedenis gespeeld! Is dat geen markante parallel ?
Hier zijn enige voorbeelden uit ons alledaagse spraakgebruik:
Het oudste hof is het Binnenhof in Den Haag, dat dateert uit de 7e eeuw.
Hier hield de Graaf zijn hofdagen. Onze parlementsgebouwen zijn rond de Ridderzaal in open vierkant gebouwd, waardoor symbolisch de
Kamergebouwen, als volksvertegenwoordiging rondom, de Ridderzaal, waar de vorstin de Staten-Generaal opent, beschermen.
De verblijfplaats van de Koninklijke Familie heet het "Hof". Zij, die de Koning(in) dienen als naaste medewerkers en personeel zijn tezamen de hofhouding.
Grote boerderijen, die omheind zijn met sloten, hagen of populieren, heten vanouds hofsteden.
De Gerechtshoven of het "Hof van Arbitrage" zijn van hetzelfde woord afgeleid.
Als
lusthof van bloemen met een haag aan vier zijden werd het vroeger meer gebruikt voor tuin.
We kennen het nog in de internationaal bekende Keukenhof
De Hof van Eden, waar Adam en Eva uit verdreven werden.
Iemand het hof maken wil oorspronkelijk zeggen, dat de man het meisje vraagt om samen een hof te maken, en symbolisch om zijn veilige haven te zijn.
De Hofjes, die typisch en oorspronkelijk Nederlands van opzet zijn, werden als eenpersoonshuisjes voor alleenstaanden en oude vrouwen gebouwd, met de deur naar de binnenplaats en de blinde buitenmuur ter bescherming naar de buitenkant toe. Ze zijn in dubbele zin een haven en hof, een toevlucht voor generaties geweest en zijn nu nog een rustpunt.
De idee
"Hofje" heeft haar oorsprong in de Nederlanden omstreeks de 13e eeuw.
De eersten werden in Vlaanderen gebouwd voor oudere vrouwen, die vaak van goeden huize waren, zodat een hofje niet te vergelijken is met een armenhuis, ook niet met een klooster, hoewel vooral in België hofjes soms tevens
klooster-gemeenschappen werden, zoals het beroemde Begijnhof in Brugge. In Holland werd de idee Hofje echter
bij uitstek doorgedragen door de Protestantse cultuur, waarvan voorbeelden in steden als Amsterdam en Haarlem met name aan hun regenten herinneren.
Menig Oost-Indiëvaarder gaf bij zijn leven een fortuin aan een Hofje, misschien om zijn geweten te sussen, maar het principe erachter was de
Mozaïsch-Bijbelse wet om voor de weduwen en wezen te zorgen. Vaak gaven deze Calvinistische weldoeners de Hofjes een Bijbelse naam, zoals Bethlehem-Hofje, Sions-Hofje, Heilige Geest-Hofje.
(Dit bouwkundig juweeltje aan het Spinozaplein in Den Haag wordt bedreigd door de slopershamer, waaraan reeds meerdere Hofjes ten offer vielen. Aan de andere kant vonden ook verheugende restauraties plaats zoals in Amsterdam en Haarlem).
Het Hofje is een Hollandse vinding en van hieruit door andere landen, zoals Denemarken, overgenomen. Er zijn nog ongeveer honderd vijftig grotere en kleinere Hofjes in ons land overgebleven. Soms worden ze nog bewoond door alleenstaande vrouwen of dienen ze als een moderne vorm van toevluchtsoord, ditmaal om te ontsnappen aan het verkeerslawaai of aan het wonen in onpersoonlijke flatblokken van glas en beton. Het zijn dan veelal studenten of kunstenaars, die er rust zoeken voor hun scheppend werk. (Zie het Middelnederlands Woordenboek van Verdam en Verwijs. 1894, en het EtymoJogisch Woordenboek van J. de Vries, 1963. Daarin zijn een aantal bladzijden gewijd aan het woord hof en de afleidingen. Een serie artikelen over dit onderwerp van de hand van de schrijfster verscheen in het maandblad Een Nieuw Geluid, okt. 1967 - febr. 1968)
Terugkomend uit het buitenland valt het altijd weer op hoe wij in vergelijking met andere landen gezegend zijn met stadjes en plekjes aan het water en hoe uniek het samenspel tussen wolken, lucht, licht en water in het vlakke land is.
Elk dorpje of stadje heeft wel ergens een natuurlijk water of een haventje.
Vergelijkt U onze landkaart maar met de rest van de wereld.
Denk aan de dorpen aan de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden en aan onze grote rivieren, de voormalige Zuiderzee-stadjes, de grachtensteden en -dorpjes in Noord- en Zuid-Holland, waarvan velen helaas door de Randstad worden opgeslokt, de ontelbaar vele woningen en aanlegsteigers in onze recreatie-gebieden zoals Loosdrecht, de Kaag, de Friese Meren, om van toeristische
attracties zoals Giethoorn, Volendam en rondvaarten door onze grachten nog niet eens te spreken.
Werkelijk, waar ter wereld bestaat er een volk, dat zo karakteristiek met de waterkant verbonden is, zo overvloedig gezegend met vlak waterland? Waar ter wereld hebben de voorzeggingen aan Zebulun van het wonen aan de havenzijde een duidelijker vorm aangenomen dan in het dichtbevolkte woon- en leefklimaat, de Lage Landen bij de zee? Ziet U de weerspiegeling van Zebulun, als een mozaïek aan de heldere blauwe hemel, in de vele vormen waarin generaties Nederlanders dit vlakke stukje schepping tot "have en hof" hebben gemaakt naar een Bijbels model?
Gesproken van havens, is het dan nog vreemd dat in onze tijd het kleine Nederland de grootste haven ter
wereld binnen haar grenzen heeft? Rotterdam-Europoort heeft Londen, New York en Hamburg voorbijgestreefd.
De eerste haven van de Europese Gemeenschap, of we het willen of niet, is de poort van Europa.
Wie zal in de toekomst door deze poort in- en uitgaan?
Wist U dat van Israël - dat deel dar in de kuststreek van het Westen zal wonen - gezegd is dat her
"de poorten harer
vijanden zal bezitten" ?
(Genesis 22:17; 24:60). Hier wordt bedoeld zee-havens.
Tussen haakjes als een grapje, is het geen aardige uitwerking van het symbool van Zebulun, een schip, dat onze
grootste zeehaven ter wereld, Rotterdam, in de top van haar scheeps-stad een EuroMAST heeft?
Volgens een oude legende was het Ratherius, die in 90 A.D. het latere Rotterdam stichtte. Hij zou een afstammeling geweest zijn van de Koninklijke Trojanen, die op hun beurt weer beweerden tot de stam van Juda te behoren.
Al zijn er Nederlanders die rigoureus alle historische waarde in onze oude kronieken, die dit aldus vermelden, naar het rijk der fabelen verwijzen, het blijft een leerzame afstammingslegende. In Engeland wordt het serieuzer genomen dan bij ons, getuige Rev. W. M. H. Milner's "The Royal House of Britain, an enduring Dynasty" (13de druk, 1964, Covenant Books, Londen), waarin hij zich baseert op de stamtafels van Anderson's Royal Genealogies, die zich in Windsor Castle bevinden. Daarin wordt Ratherius vermeld.
Wij hebben ons bezig gehouden met de zegeningen van Jacob aan zijn zoon Zebulun gegeven in Genesis 49:13, waarin geprofeteerd werd over de status van deze
stam, die aan de haven zal wonen, gezegend zal zijn met een vissersvloot en de manier waarop die vis gevangen zal worden.
Er is een parallel aangetoond tussen de geografische positie van Nederland, haar natuurlijke havens, de wijze waarop de Hollanders leven en wonen, hetgeen met name in hun
binnenhuisarchitectuur tot uiting komt.
Voorbeelden werden gegeven van het Hollandse woord "hof", dat hetzelfde klinkt als het Hebreeuwse woord
"chof" voor haven.
Het symbool van Zebulun en Hollandse schepen werden vergeleken.
Het belang van de haring en andere soorten vis in Nederland is onderstreept.
Er werd een toekomstvisioen naar voren gehaald van een bezoeking en beproeving, die als een voldongen feit over ons land zullen komen indien de Nederlanders niet snel hun eigen wateren en eigen binnenkamers reinigen.
De typisch Hollandse visvangst met sleepnetten aan de flanken werd als een toepassing van een Hebreeuws woord gezien.
De mentaliteit van de Nederlander, die iedere vreemdeling, die vervolgd werd, verwelkomt, is naar voren gehaald.
Holland kwam ter sprake als een haven voor uitgeweken protesterenden van allerlei slag en kunne.
Zelfs spoken werden gezien en de Vliegende Hollander vond zijn lugubere tegen-parallel in het symbool van Zebulun's banier, een schip.
Het volgende hoofdstuk gaat nog even nader in op onze passie voor de vreemdeling en de hoofdstukken tien, elf en twaalf zijn gewijd aan de drie verdere profetieën voor Zebulun door Mozes, Debora en Jesaja. De parallel met Nederlandse baggeraars, landaanwinners, de boekdrukkunst wordt verder doorgetrokken en tenslotte wordt de uitzonderlijkheid van het licht in en voor Nederland naderbij gebracht.